kluns
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een onhandig persoon
- een gecastreerde ezelshengst
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klunsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klunsjes | verkleinwoord, meervoud |
| klunzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klunzen
- gebiedende wijs van klunzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klunzen
Vervoeging van kluns
klunshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘sufferd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1949
Woordfamilie van kluns
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klunsje | verkleinwoord | kluns |
| klunsjes | verkleinwoord meervoud | kluns |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kluns zijn vastgelegd.