puzzelstuk
zelfstandig naamwoord ˈpʏzəlˌstʏkBetekenis
- een deel van een legpuzzel
- het materiaal waarmee door passen en meten een groter geheel gemaakt moet worden
- aanwijzingen waarmee samen een oplossing voor een groter probleem moet worden gevonden
Hoe spreek je puzzelstuk uit?
/ˈpʏzəlˌstʏk/
Puzzelstuk bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ʏ | put |
| z | zon |
| ə | de |
| l | land |
| s | sok |
| t | tak |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| puzzelstukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| puzzelstukjes | verkleinwoord, meervoud |
| puzzelstukken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van puzzel en stuk
Woordfamilie van puzzelstuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| puzzelstukje | verkleinwoord | puzzelstuk |
| puzzelstukjes | verkleinwoord meervoud | puzzelstuk |
| puzzelstukken | meervoud | puzzelstuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van puzzelstuk zijn vastgelegd.