tuk
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord tʏkBetekenis
- ~ zijn op iets graag hebben
- iemand ~ hebben iemand een grappige streek geleverd hebben
- een korte periode van slaap
- Twente: broekzak
- klop, het geluid van een klop op de deur
- vet
- vet; een vettige organische stof
- vet; dierlijke of plantaardige brandstof
- vet; als smeermiddel gebruikte substantie
Hoe spreek je tuk uit?
/tʏk/
Tuk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ʏ | put |
| k | kat |
bijvoeglijk naamwoord
- ~ zijn op iets graag hebben of lusten, dol op iets zijn
- iemand ~ hebben iemand een – al dan niet grappig bedoelde – streek leveren
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tukken
- gebiedende wijs van tukken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tukken
Vervoeging van tuk
tukhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘dutje’ voor het eerst aangetroffen in 1779
Woordfamilie van tuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tukje | woordvorm | tuk |
| tukjes | meervoud | tuk |
| tukkie | informal | tuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tuk zijn vastgelegd.