geluk
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣəˈlʏkBetekenis
- prettige loop van de omstandigheden
- prettige gemoedstoestand waarin men tevreden is met zichzelf en met de omgeving
Hoe spreek je geluk uit?
/xəˈlʏk/
Geluk bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ʏ | put |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- toevallige meevaller
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gelukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gelukjes | verkleinwoord, meervoud |
| gelukken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelukken
- gebiedende wijs van gelukken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelukken
Vervoeging van geluk
gelukhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘voorspoed’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van geluk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelukje | verkleinwoord | geluk |
| gelukjes | verkleinwoord meervoud | geluk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geluk zijn vastgelegd.