pappen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈpɑpə(n)/Betekenis
- pap eten, koken
- tot pap, een brijachtige massa worden
- iets met een pap, stijfsel (e.d.) bestrijken
Hoe spreek je pappen uit?
/ˈpɑpən/
Pappen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van pappen
pappenhele werkwoord — papteverleden tijd enkelvoud — paptenverleden tijd meervoud — gepaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pap | papte |
| jij | papt | papte |
| hij, zij, het | papt | papte |
| wij | pappen | papten |
| jullie | pappen | papten |
| zij | pappen | papten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepapt | verleden tijd, deelwoord |
| gepapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pap | gebiedende wijs |
| pappe | aanvoegende wijs |
| pappend | onvoltooid, deelwoord |
| papte | verleden tijd |
| te hebben gepapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord pap
Herkomst
Afgleid van pap met het achtervoegsel -en.
Woordfamilie van pappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepapt | voltooid deelwoord | pappen |
| gepapte | woordvorm | pappen |
| pappe | aanvoegende wijs | pappen |
| pappend | onvoltooid deelwoord | pappen |
| pappende | woordvorm | pappen |
| papt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pappen |
| papte | verleden tijd | pappen |
| papten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pappen zijn vastgelegd.