vertrappen
werkwoord /vərˈtrɑpə(n)/Betekenis
- vernielen met de voeten
- grof schenden, vernederen
Hoe spreek je vertrappen uit?
/vərˈtrɑpən/
Vertrappen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| t | tak |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vertrappen
vertrappenhele werkwoord — vertrapteverleden tijd enkelvoud — vertraptenverleden tijd meervoud — vertraptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vertrap | vertrapte |
| jij | vertrapt | vertrapte |
| hij, zij, het | vertrapt | vertrapte |
| wij | vertrappen | vertrapten |
| jullie | vertrappen | vertrapten |
| zij | vertrappen | vertrapten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vertrapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vertrapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vertrapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vertrapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vertrapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vertrapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vertrapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vertrapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vertrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vertrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vertrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vertrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vertrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vertrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vertrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vertrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vertrapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vertrappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vertrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertrap | gebiedende wijs |
| vertrappe | aanvoegende wijs |
| vertrappend | onvoltooid, deelwoord |
| vertrapt | verleden tijd, deelwoord |
| vertrapt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vertrapt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vertrapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertrapt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertrapt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vertrapt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vertrapt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vertrapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vertrapt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vertrapt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vertrapte | verleden tijd |
| waart vertrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vertrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vertrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vertrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vertrapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vertrapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vertrapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vertrapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vertrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vertrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vertrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vertrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vertrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vertrapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vertrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vertrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vertrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vertrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vertrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vertrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vertrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vertrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vertrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vertrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vertrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vertrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vertrapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vertrapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vertrappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vertrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vertrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vertrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vertrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vertrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vertrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vertrappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vertrapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vertrapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vertrapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van trappen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vertrappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vertrap | gebiedende wijs | vertrappen |
| vertrappe | aanvoegende wijs | vertrappen |
| vertrappend | onvoltooid deelwoord | vertrappen |
| vertrappende | woordvorm | vertrappen |
| vertrapt | voltooid deelwoord | vertrappen |
| vertrapte | verleden tijd | vertrappen |
| vertrapten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vertrappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vertrappen zijn vastgelegd.