snappen
werkwoord /'snɑpə(n)/Betekenis
- iets vatten in de zin van begrijpen, doorhebben
- iemand vatten in de zin van betrappen
- babbelen, kletsen
Hoe spreek je snappen uit?
/ˈsnɑpən/
Snappen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| n | nek |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- vatten in de zin van begrijpen, doorhebben transitive
- iemand vatten terwijl die met iets ongeoorloofds bezig is, betrappen transitive
Vervoeging van snappen
snappenhele werkwoord — snapteverleden tijd enkelvoud — snaptenverleden tijd meervoud — gesnaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snap | snapte |
| jij | snapt | snapte |
| hij, zij, het | snapt | snapte |
| wij | snappen | snapten |
| jullie | snappen | snapten |
| zij | snappen | snapten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gesnapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesnapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesnapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesnapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesnapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesnapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesnapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesnapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesnapt | verleden tijd, deelwoord |
| gesnapt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesnapt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gesnapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnapt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnapt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesnapt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesnapt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gesnapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesnapt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gesnapt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesnapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesnapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesnapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesnapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesnapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesnapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesnapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| snap | gebiedende wijs |
| snappe | aanvoegende wijs |
| snappend | onvoltooid, deelwoord |
| snapte | verleden tijd |
| te hebben gesnapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te snappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen snappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesnapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesnapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesnapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesnapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesnapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesnapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesnapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gesnapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gesnapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesnapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gesnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal snappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal snappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal snappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesnapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesnapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou snappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou snappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou snappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesnapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesnapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesnapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gesnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden snappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden snappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden snappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesnapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gesnapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt snappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesnapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesnapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesnapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gesnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen snappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen snappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen snappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen snappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesnapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesnapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gesnapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult snappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘babbelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1437
Woordfamilie van snappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesnapt | voltooid deelwoord | snappen |
| gesnapte | woordvorm | snappen |
| snap | gebiedende wijs | snappen |
| snappe | aanvoegende wijs | snappen |
| snappend | onvoltooid deelwoord | snappen |
| snappende | woordvorm | snappen |
| snapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | snappen |
| snapte | verleden tijd | snappen |
| snapten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | snappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snappen zijn vastgelegd.