kapper
zelfstandig naamwoord ˈkɑpərBetekenis
- iemand die kapt of hakt
- gereedschap dat kapt of hakt
- iemand die beroepsmatig de kapsels van mensen verzorgt, haarkapper
Hoe spreek je kapper uit?
/ˈkɑpər/
Kapper bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- Capparis spinosa een in Zuid-Europa voorkomende heester waarvan de ingelegde bloemknoppen worden gebruikt in o.m. kappertjessaus etc.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kappers | meervoud |
| kappertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kappertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘struik, bes’ voor het eerst aangetroffen in 1551
Woordfamilie van kapper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kappers | meervoud | kapper |
| kappertjes | verkleinwoord meervoud | kapper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kapper zijn vastgelegd.