Naar de inhoud

jufferen

'juf' of 'juffrouw' zeggen

jufferen is meer dan één woord

jufferen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. 'juf' of 'juffrouw' zeggen
  2. met de vinger in de lucht aandacht van de juf vragen
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

werkwoord

  1. "juf" of "juffrouw" zeggen unergative

Vervoeging van jufferen

jufferenhele werkwoord — jufferdeverleden tijd enkelvoud — jufferdenverleden tijd meervoud — gejufferdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik juffer jufferde
jij juffert jufferde
hij, zij, het juffert jufferde
wij jufferen jufferden
jullie jufferen jufferden
zij jufferen jufferden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gejufferd verleden tijd, deelwoord
gejufferd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gejufferd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gejufferd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gejufferd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gejufferd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gejufferd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gejufferd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gejufferd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gejufferd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gejufferd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gejufferd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gejufferd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gejufferd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gejufferd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gejufferd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gejufferd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gejufferd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
juffer gebiedende wijs
jufferde verleden tijd
juffere aanvoegende wijs
jufferend onvoltooid, deelwoord
te hebben gejufferd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te jufferen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen jufferen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gejufferd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gejufferd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gejufferd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal jufferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal jufferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal jufferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gejufferd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gejufferd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gejufferd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou jufferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou jufferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou jufferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gejufferd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gejufferd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gejufferd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden jufferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden jufferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden jufferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gejufferd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt jufferen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gejufferd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gejufferd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gejufferd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen jufferen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen jufferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen jufferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen jufferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gejufferd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult jufferen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord juffer

Woordfamilie van jufferen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gejufferd voltooid deelwoord jufferen
jufferde verleden tijd jufferen
jufferden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon jufferen
juffere aanvoegende wijs jufferen
jufferend onvoltooid deelwoord jufferen
jufferende woordvorm jufferen
juffert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon jufferen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jufferen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over jufferen

Wat is de betekenis van jufferen?
Jufferen is een werkwoord. De betekenis is: 'juf' of 'juffrouw' zeggen. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik jufferen?
Zo vervoeg je jufferen zo: de tegenwoordige tijd is juffer, de verleden tijd is jufferde en het voltooid deelwoord is gejufferd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord jufferen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. J 4
  2. U 4
  3. F 4
  4. F 4
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

jufferen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. J 4
  2. U 2
  3. F 4
  4. F 4
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

jufferen in het kort

jufferen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van jufferen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort jufferen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

jufferen: 'juf' of 'juffrouw' zeggen
Deel jufferen — standaardnederlands.nl