grijpstuiver
zelfstandig naamwoord ˈɣrɛipstœyvərBetekenis
- onbeduidend bedrag
- iemand die zich met kleine bedragen uit moreel twijfelachtig gedrag probeert te verrijken
Hoe spreek je grijpstuiver uit?
/ˈxrɛipstœyvər/
Grijpstuiver bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| p | pak |
| s | sok |
| t | tak |
| œy | huis |
| v | vis |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| grijpstuivers | meervoud |
| grijpstuivertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| grijpstuivertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van grijp ww en stuiver zn , als leenvertaling van Frans grippe-sou, oorspronkelijk iemand die voor een kleine vergoeding voor obligatiehouders de te ontvangen rentebedragen ophaalde, later misprijzend gebruikt in de betekenis "sjacheraar", in deze betekenis aangetroffen vanaf 1761 als spottende bijnaam en in de betekenis "onbeduidend bedrag" vanaf 1893 (zie vindplaats hieronder); deze tweede betekenis kan ook worden opgevat als samenstelling van grijp zn en stuiver zn , wat dan verwijst naar het muntje met een afbeelding van een grijp zn (‘griffioen’) erop.
Woordfamilie van grijpstuiver
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grijpstuivers | meervoud | grijpstuiver |
| grijpstuivertje | verkleinwoord | grijpstuiver |
| grijpstuivertjes | verkleinwoord meervoud | grijpstuiver |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grijpstuiver zijn vastgelegd.