grijsrijden
werkwoordBetekenis
- langer van het openbaar vervoer gebruikmaken dan waar men voor betaald heeft
Vervoeging van grijsrijden
grijsrijdenhele werkwoord — reed grijsverleden tijd enkelvoud — reden grijsverleden tijd meervoud — grijsgeredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij grijs, rijd grijs | reed grijs |
| jij | rijdt grijs | reed grijs |
| hij, zij, het | rijdt grijs | reed grijs |
| wij | rijden grijs | reden grijs |
| jullie | rijden grijs | reden grijs |
| zij | rijden grijs | reden grijs |
Alle 84 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is grijsgereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was grijsgereden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd grijsgereden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt grijsgereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal grijsgereden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal grijsgereden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou grijsgereden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou grijsgereden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| grijs te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| grijs te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| grijs zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
| grijs zou rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| grijs zouden rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| grijs zoudt rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| grijs zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| grijs zullen rijden | bijzin, toekomende tijd |
| grijs zult rijden | bijzin, toekomende tijd |
| grijsgereden | verleden tijd, deelwoord |
| grijsgereden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| grijsgereden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| grijsreden | bijzin, verleden tijd |
| grijsreed | bijzin, verleden tijd |
| grijsreedt | bijzin, verleden tijd |
| grijsrij, grijsrijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| grijsrijdend | onvoltooid, deelwoord |
| grijsrijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| had grijsgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had grijsgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had grijsgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden grijsgereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden grijsgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden grijsgereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt grijsgereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb grijsgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben grijsgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben grijsgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben grijsgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben grijsgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt grijsgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft grijsgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft grijsgereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed grijs | verleden tijd |
| rij grijs, rijd grijs | gebiedende wijs |
| rijde grijs | aanvoegende wijs |
| te hebben grijsgereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen grijsrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal grijsgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal grijsgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal grijsgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal grijsrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zou grijsgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou grijsgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou grijsgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou grijsrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) grijsrijden grijs zou(dt) rijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden grijsgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden grijsgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden grijsgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden grijsrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt grijsgereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt grijsrijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen grijsgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen grijsgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen grijsgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen grijsrijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen grijsrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult grijsgereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult grijsrijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult grijsrijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal grijsrijden grijs zult/zal rijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van grijs en rijden
Woordfamilie van grijsrijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grijsgereden | voltooid deelwoord | grijsrijden |
| grijsreden | subordinate-clause, verleden tijd | grijsrijden |
| grijsreed | subordinate-clause, verleden tijd | grijsrijden |
| grijsrij | with-subordinate-clause | grijsrijden |
| grijsrijd | with-subordinate-clause | grijsrijden |
| grijsrijde | with-subordinate-clause | grijsrijden |
| grijsrijdend | onvoltooid deelwoord | grijsrijden |
| grijsrijdende | woordvorm | grijsrijden |
| grijsrijdt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | grijsrijden |
| reden grijs | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | grijsrijden |
| reed grijs | verleden tijd | grijsrijden |
| rij grijs | woordvorm | grijsrijden |
| rijd grijs | woordvorm | grijsrijden |
| rijde grijs | aanvoegende wijs | grijsrijden |
| rijden grijs | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | grijsrijden |
| rijdt grijs | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | grijsrijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grijsrijden zijn vastgelegd.