timmeren
werkwoord ˈtɪmərə(n)Betekenis
- houten zaken in elkaar zetten
- herhaaldelijk (met een hamer) op iets slaan
Hoe spreek je timmeren uit?
/ˈtɪmərən/
Timmeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van timmeren
timmerenhele werkwoord — timmerdeverleden tijd enkelvoud — timmerdenverleden tijd meervoud — getimmerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | timmer | timmerde |
| jij | timmert | timmerde |
| hij, zij, het | timmert | timmerde |
| wij | timmeren | timmerden |
| jullie | timmeren | timmerden |
| zij | timmeren | timmerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getimmerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getimmerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getimmerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getimmerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getimmerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getimmerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getimmerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getimmerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getimmerd | verleden tijd, deelwoord |
| getimmerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getimmerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getimmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getimmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getimmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getimmerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getimmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getimmerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getimmerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getimmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getimmerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getimmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getimmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getimmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getimmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getimmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getimmerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getimmerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te timmeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen timmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| timmer | gebiedende wijs |
| timmerde | verleden tijd |
| timmere | aanvoegende wijs |
| timmerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getimmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getimmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getimmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getimmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getimmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getimmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getimmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getimmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getimmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getimmerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getimmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getimmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getimmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen timmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getimmerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult timmeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘bouwen (van hout)’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van timmeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getimmerd | voltooid deelwoord | timmeren |
| getimmerde | woordvorm | timmeren |
| timmer | gebiedende wijs | timmeren |
| timmerde | verleden tijd | timmeren |
| timmerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | timmeren |
| timmere | aanvoegende wijs | timmeren |
| timmerend | onvoltooid deelwoord | timmeren |
| timmerende | woordvorm | timmeren |
| timmert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | timmeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van timmeren zijn vastgelegd.