Naar de inhoud

oprichten

in verticale stand brengen

oprichten

werkwoord ˈɔprɪxtə(n)

Betekenis

  1. in verticale stand brengen
  2. een instelling in het leven roepen

Hoe spreek je oprichten uit?

/ˈɔprɪxtən/

Oprichten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔprɪxtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
r rood
ɪ pit
x acht
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van oprichten

oprichtenhele werkwoord — richtte opverleden tijd enkelvoud — richtten opverleden tijd meervoud — opgerichtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik richt op richtte op
jij richt op richtte op
hij, zij, het richt op richtte op
wij richten op richtten op
jullie richten op richtten op
zij richten op richtten op
Alle 157 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgericht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgericht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgericht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgericht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgericht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgericht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgericht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgericht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgericht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te richten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen richten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal richten bijzin, toekomende tijd
op zou richten bijzin, voorwaardelijk
op zouden richten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt richten bijzin, voorwaardelijk
op zullen richten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen richten bijzin, toekomende tijd
op zult richten bijzin, toekomende tijd
opgericht verleden tijd, deelwoord
opgericht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgericht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgericht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgericht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgericht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgericht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgericht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgericht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgericht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgericht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opricht bijzin, tegenwoordige tijd
oprichtend onvoltooid, deelwoord
oprichtte bijzin, verleden tijd
oprichtten bijzin, verleden tijd
richt op gebiedende wijs
richt u/je op, richt je op gebiedende wijs
richtte op verleden tijd
te hebben opgericht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oprichten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgericht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgericht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgericht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgericht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgericht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me oprichten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal opgericht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgericht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgericht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgericht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oprichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oprichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oprichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oprichten bijzin, toekomende tijd
zal zich oprichten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je oprichten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich opgericht hebben verleden tijd
zich oprichtend onvoltooid, deelwoord
zijn opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgericht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oprichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oprichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oprichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oprichten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oprichten op zou(dt) richten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oprichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oprichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oprichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oprichten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgericht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgericht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oprichten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oprichten bijzin, voorwaardelijk
zullen je oprichten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons oprichten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen opgericht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgericht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgericht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgericht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgericht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgericht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en richten ww

Woordfamilie van oprichten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opricht subordinate-clause, tegenwoordige tijd oprichten
oprichte with-subordinate-clause oprichten
oprichtend onvoltooid deelwoord oprichten
oprichtende woordvorm oprichten
oprichtte subordinate-clause, verleden tijd oprichten
oprichtten subordinate-clause, verleden tijd oprichten
richt op gebiedende wijs oprichten
richte op woordvorm oprichten
richten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oprichten
richtte op verleden tijd oprichten
richtten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oprichten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oprichten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over oprichten

Hoe spreek je oprichten uit?
De uitspraak van oprichten is: /ˈɔprɪxtə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent oprichten?
Oprichten is een werkwoord. Het woord betekent: in verticale stand brengen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je oprichten?
Je vervoegt oprichten als volgt: het voltooid deelwoord is opgericht. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oprichten is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. R 2
  4. I 1
  5. C 5
  6. H 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oprichten levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. R 2
  4. I 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oprichten in het kort

oprichten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van oprichten zijn 97 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort oprichten bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

oprichten: in verticale stand brengen
Deel oprichten — standaardnederlands.nl