boog
zelfstandig naamwoord, werkwoord boxBetekenis
- een wapen waarmee een pijl weggeschoten kan worden - handboog
- een cirkelboog
- een deel van een bouwwerk waar iets of iemand onderdoor kan gaan(vgl. spitsboog, triomfboog)
- een vlamboog
- de kromme van een vliegend voorwerp
- schouder.
Hoe spreek je boog uit?
/box/
Boog bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| x | acht |
zelfstandig naamwoord — masculine
- wapen waarmee een pijl weggeschoten kan worden -> handboog
- cirkelboog
- deel van een bouwwerk waar iets of iemand onderdoor kan gaan(vgl. spitsboog, triomfboog)
- vlamboog
- kromme van een vliegend voorwerp
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bogen | meervoud |
| boogje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boogjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bogen
- gebiedende wijs van bogen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bogen
Vervoeging van boog
booghele werkwoord
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van buigen
Vervoeging van boog
booghele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands boge van Oudnederlands bogo, in de betekenis van ‘schiettuig voor pijlen’ aangetroffen vanaf 901, op te vatten als naamwoord van handeling van buigen
Woordfamilie van boog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boogje | verkleinwoord | boog |
| boogjes | verkleinwoord meervoud | boog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boog zijn vastgelegd.