droog
bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /droːx/Betekenis
- geen of zeer weinig vocht bevattend
- zonder gevoel, saai, dor (- droogkloot)
- op een quasi ernstige manier een grap maken
- van wijn: niet zoet
Hoe spreek je droog uit?
/drox/
Droog bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| o | boot |
| x | acht |
bijvoeglijk naamwoord
- niet overstroomd
- zonder regen
- zonder emotie te laten blijken figuratively
- op een quasi-ernstige manier humoristisch figuratively
- zonder levendigheid figuratively
- : niet zoet van smaak
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drogen
- gebiedende wijs van drogen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drogen
Vervoeging van droog
drooghele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands droge van Oudnederlands drugon. Proto-Germaans *draugi-. Verdere herkomst onbekend; mogelijk oorspronkelijk uit een substraattaal.
Woordfamilie van droog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| droogs | partitive, positive | droog |
| droogst | uninflected, superlative | droog |
| droogste | inflected, superlative | droog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van droog zijn vastgelegd.