boogarm
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de arm die de boog vasthoudt tijdens het boogschieten
- draagarm met een boogvorm
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boogarmen | meervoud |
| boogarmpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boogarmpjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van boog zn en arm zn
Woordfamilie van boogarm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boogarmen | meervoud | boogarm |
| boogarmpje | verkleinwoord | boogarm |
| boogarmpjes | verkleinwoord meervoud | boogarm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boogarm zijn vastgelegd.