hoog
bijvoeglijk naamwoord, werkwoord hoxBetekenis
- fysiek ver boven iets anders
- vergevorderd in een rangorde of volgorde
- (geluid) met een groot aantal trillingen per tijdseenheid
- met een groot aanzien
- meer boven de zeespiegel gelegen
- meer naar het Noorden gelegen
Hoe spreek je hoog uit?
/hox/
Hoog bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| x | acht |
bijvoeglijk naamwoord
- fysisch ver boven iets anders
- met een groot aantal trillingen per tijdseenheid
- in sterke mate (als een rangorde of een specifiek niveau niet echt denkbaar is) intensifier, prefix
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoge | verbogen, stellende trap |
| hoger | onverbogen, vergrotende trap |
| hogere | verbogen, vergrotende trap |
| hogers | partitief, vergrotende trap |
| hoogs | partitief, stellende trap |
| hoogst | onverbogen, overtreffende trap |
| hoogste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hogen
- gebiedende wijs van hogen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hogen
Vervoeging van hoog
hooghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘boven een ander punt, verheven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1130
Woordfamilie van hoog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoger | vergrotende trap | hoog |
| hogere | verbogen vergrotende trap | hoog |
| hogers | partitieve vergrotende trap | hoog |
| hoogs | partitive, positive | hoog |
| hoogste | inflected, superlative | hoog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoog zijn vastgelegd.