blijken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈblɛikə(n)Betekenis
- uit iets duidelijk (geworden) zijn
- ~ te zijn uit iets duidelijk (geworden) zijn
- naar buiten zichtbaar laten worden
Hoe spreek je blijken uit?
/ˈblɛikən/
Blijken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van blijken
blijkenhele werkwoord — bleekverleden tijd enkelvoud — blekenverleden tijd meervoud — geblekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blijk | bleek |
| jij | blijkt | bleek |
| hij, zij, het | blijkt | bleek |
| wij | blijken | bleken |
| jullie | blijken | bleken |
| zij | blijken | bleken |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gebleken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebleken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bleek | verleden tijd |
| blijk | gebiedende wijs |
| blijke | aanvoegende wijs |
| blijkend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebleken | verleden tijd, deelwoord |
| gebleken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebleken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gebleken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebleken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gebleken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebleken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebleken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebleken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebleken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebleken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebleken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebleken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal blijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebleken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebleken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebleken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gebleken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gebleken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebleken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebleken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebleken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou blijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebleken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebleken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebleken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebleken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebleken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebleken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebleken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebleken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebleken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebleken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult blijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebleken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord blijk
Herkomst
In de betekenis van ‘aan den dag komen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265
Woordfamilie van blijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blijkend | onvoltooid deelwoord | blijken |
| blijkende | woordvorm | blijken |
| blijkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blijken |
| gebleken | voltooid deelwoord | blijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blijken zijn vastgelegd.