behangen
werkwoord, zelfstandig naamwoord bəˈhɑŋə(n)Betekenis
- het bedekken van wanden met een laag papier
- bedekken door er iets aan, op of tegen te hangen
Hoe spreek je behangen uit?
/bəˈhɑŋən/
Behangen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van behangen
behangenhele werkwoord — behingverleden tijd enkelvoud — behingenverleden tijd meervoud — behangenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | behang | behing |
| jij | behangt | behing |
| hij, zij, het | behangt | behing |
| wij | behangen | behingen |
| jullie | behangen | behingen |
| zij | behangen | behingen |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| behang | gebiedende wijs |
| behange | aanvoegende wijs |
| behangen | verleden tijd, deelwoord |
| behangen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| behangen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| behangend | onvoltooid, deelwoord |
| behing | verleden tijd |
| er is behangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was behangen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd behangen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt behangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal behangen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal behangen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou behangen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou behangen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had behangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had behangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had behangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden behangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden behangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden behangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt behangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben behangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te behangen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben behangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen behangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen behangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Vervoeging van behangen
behangenhele werkwoord — behingverleden tijd enkelvoud — behingenverleden tijd meervoud — behangenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | behang | behing |
| jij | behangt | behing |
| hij, zij, het | behangt | behing |
| wij | behangen | behingen |
| jullie | behangen | behingen |
| zij | behangen | behingen |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| behang | gebiedende wijs |
| behange | aanvoegende wijs |
| behangen | verleden tijd, deelwoord |
| behangen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| behangen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| behangend | onvoltooid, deelwoord |
| behing | verleden tijd |
| er is behangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was behangen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd behangen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt behangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal behangen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal behangen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou behangen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou behangen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had behangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had behangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had behangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden behangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden behangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden behangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt behangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben behangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft behangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te behangen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben behangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen behangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt behangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt behangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen behangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult behangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult behangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord behang
Herkomst
Afgeleid van hangen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van behangen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| behange | aanvoegende wijs | behangen |
| behangend | onvoltooid deelwoord | behangen |
| behangende | woordvorm | behangen |
| behangt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | behangen |
| behing | verleden tijd | behangen |
| behingen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | behangen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van behangen zijn vastgelegd.