bank
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɑŋkBetekenis
- breed voorwerp waarop mensen kunnen zitten
- openbaar vervoer en buiten is te vinden
- een financiële instelling
- een ondiepte in het water
- gebouw waarin een als bij 2 genoemde financiële instelling gevestigd is
- een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
- harde aardlaag
- donkere laag of streep van wolken aan de horizon.
- werktafel b.v. draaibank etc.
- bank (financiële instelling)
- bank, bankgebouw
- bij bepaalde spelen de som van alle spelinzetten voor één spel, die de totale mogelijke winst uitmaakt
- rammeling, ransel, een pak rammel, een pak ransel, een pak slag
- bestraffing (van een tegenstander)
- klop, slag
- oever van een rivier
- 2 (financiële instelling)
- hellen
- zich ophopen, zich opstapelen
- een bankrekening hebben
- indammen,, indijken
- ophopen, opstapelen
- doen hellen
- beleggen
- op een rij zetten
- ~ on rekenen op, vertrouwen op
- (financiële instelling)
- bank (zitmeubel)
- bank, speelbank
- lager, reserve
- kloppen
- ransel, slag rammel
Hoe spreek je bank uit?
/bɑŋk/
Bank bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- breed houten of metalen voorwerp waarop mensen kunnen zitten
- instelling die geld beheert en uitleent
- gebouw waarin een als bij [2] genoemde financiële instelling gevestigd is
- donkere laag of streep van wolken aan de horizon
- werktafel, zoals een draaibank etc.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| banken | meervoud |
| bankje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bankjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van banken
- gebiedende wijs van banken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van banken
Vervoeging van bank
bankhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘meubelstuk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240