bankier
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- iemand die financiële diensten verleent
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bankiers | meervoud |
| bankiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bankiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bankieren
- gebiedende wijs van bankieren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bankieren
Vervoeging van bankier
bankierhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hoofd van bank, geldhandelaar’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van bankier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bankiers | meervoud | bankier |
| bankiertje | verkleinwoord | bankier |
| bankiertjes | verkleinwoord meervoud | bankier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bankier zijn vastgelegd.