banken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- eenentwintigen
- op een zandbank in zee vissen
Vervoeging van banken
bankenhele werkwoord — bankteverleden tijd enkelvoud — banktenverleden tijd meervoud — gebanktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bank | bankte |
| jij | bankt | bankte |
| hij, zij, het | bankt | bankte |
| wij | banken | bankten |
| jullie | banken | bankten |
| zij | banken | bankten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bank | gebiedende wijs |
| banke | aanvoegende wijs |
| bankend | onvoltooid, deelwoord |
| bankte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebankt | verleden tijd, deelwoord |
| gebankt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebankt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebankt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebankt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebankt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebankt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebankt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebankt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebankt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te banken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebankt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen banken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal banken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal banken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal banken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebankt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebankt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou banken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou banken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou banken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden banken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden banken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden banken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt banken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebankt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen banken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen banken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen banken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen banken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebankt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebankt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult banken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebankt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bank
Herkomst
afgeleid van bank met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van banken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| banke | aanvoegende wijs | banken |
| bankend | onvoltooid deelwoord | banken |
| bankende | woordvorm | banken |
| bankt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | banken |
| bankte | verleden tijd | banken |
| bankten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | banken |
| gebankt | voltooid deelwoord | banken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van banken zijn vastgelegd.