banjo
zelfstandig naamwoord ˈbɑɲoBetekenis
- snaarinstrument met een ronde klankkast dat bij tokkelen korte, harde klanken geeft
Hoe spreek je banjo uit?
/ˈbɑnjo/
Banjo bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| j | ja |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als bagno.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| banjo's | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1899
Woordfamilie van banjo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| banjo's | meervoud | banjo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van banjo zijn vastgelegd.