bankkaart
zelfstandig naamwoord 'bɑŋkartBetekenis
- (België) door een bank afgegeven legitimatiebewijs dat in combinatie met een pincode gebruikt kan worden voor elektronisch geldverkeer bij betaal- en geldautomaten
Hoe spreek je bankkaart uit?
/ˈbɑŋkart/
Bankkaart bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- door een bank afgegeven legitimatiebewijs dat in combinatie met een pincode gebruikt kan worden voor elektronisch geldverkeer bij betaal- en geldautomaten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bankkaarten | meervoud |
| bankkaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bankkaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van bank en kaart
Woordfamilie van bankkaart
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bankkaarten | meervoud | bankkaart |
| bankkaartje | verkleinwoord | bankkaart |
| bankkaartjes | verkleinwoord meervoud | bankkaart |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bankkaart zijn vastgelegd.