antigeen
zelfstandig naamwoord ˌɑntiˈɣɛnBetekenis
- lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
Hoe spreek je antigeen uit?
/ˌɑntiˈxɛn/
Antigeen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| i | riet |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| antigeentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| antigeentjes | verkleinwoord, meervoud |
| antigenen | meervoud |
Herkomst
van Frans antigène zn , op te vatten als gevormd met het voorvoegsel anti- en met het achtervoegsel -geen; in de betekenis van ‘stof die in organisme tegengif vormt’ voor het eerst aangetroffen in 1950
Woordfamilie van antigeen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| antigeentje | verkleinwoord | antigeen |
| antigeentjes | verkleinwoord meervoud | antigeen |
| antigenen | meervoud | antigeen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van antigeen zijn vastgelegd.