air
zelfstandig naamwoord ˈɛːrBetekenis
- gezicht, houding, allure; arrogantie
- een liedje
- lucht (het mengsel van gassen waar de atmosfeer uit bestaat)
- luchtruim
- klimaat
- frisheid
- uiterlijk, voorkomen, gezicht
- houding, manier van doen
- wijs, deuntje, lied, liedje
- vliegwezen, luchtverkeer
- water, kleurloze vloeistof, vocht
- sap
- water
- kleurloze vloeistof
Hoe spreek je air uit?
/ˈɛr/
Air bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- gezicht, houding, allure; arrogantie, kapsones
- [C] lucht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| airs | meervoud |
| airtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| airtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘houding’ voor het eerst aangetroffen in 1694
Woordfamilie van air
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| airs | meervoud | air |
| airtje | verkleinwoord | air |
| airtjes | verkleinwoord meervoud | air |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van air zijn vastgelegd.