alveolair
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˌɑlvejoˈlɛːrBetekenis
- consonant bij de vorming waarvan de tongpunt de tandkassen raakt
- blaasvormig
- (van consonanten:) gevormd met de tongpunt tegen de tongkassen
Hoe spreek je alveolair uit?
/ˌɑlvejoˈlɛr/
Alveolair bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| l | land |
| v | vis |
| e | veel |
| j | ja |
| o | boot |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- consonant bij de vorming waarvan het tongpunt de tandkassen raakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| alveolairen | meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- betrekking hebbend tot aveoli
- gevormd met het tongpunt tegen de tandkassen
Herkomst
In de betekenis van ‘bij de tandkassen gevormd (van spraakklanken)’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van alveolair
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| alveolairder | woordvorm | alveolair |
| alveolairdere | woordvorm | alveolair |
| alveolairders | woordvorm | alveolair |
| alveolaire | woordvorm | alveolair |
| alveolairen | meervoud | alveolair |
| alveolairs | woordvorm | alveolair |
| alveolairst | woordvorm | alveolair |
| alveolairste | woordvorm | alveolair |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van alveolair zijn vastgelegd.