pair
zelfstandig naamwoord pɛːrBetekenis
- (poker) twee kaarten met dezelfde waarde (bijvoorbeeld: twee negens of twee boeren) in de hand van een speler
- (roulette) inzetmogelijkheid die winst geeft als de roulette op een even getal groter dan nul uitkomt
- benaming voor de hoogste leden van de adel in een land, die voor het adellijk recht als gelijken van de koning worden beschouwd
- verteren
- verwerken, verdragen
- paar
Hoe spreek je pair uit?
/pɛr/
Pair bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɛ | bed |
| r | rood |
Klinkt hetzelfde als per.
zelfstandig naamwoord — masculine
- twee kaarten met dezelfde waarde (bijvoorbeeld: twee negens of twee boeren) in de hand van een speler
- inzetmogelijkheid die winst geeft als de roulette op een even getal groter dan nul uitkomt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pairs | meervoud |
| pairtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pairtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
[1] van Engels pair zn "paar"
Woordfamilie van pair
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pairs | meervoud | pair |
| pairtje | verkleinwoord | pair |
| pairtjes | verkleinwoord meervoud | pair |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pair zijn vastgelegd.