zitten
werkwoord /ˈzɪ.tə(n)/Betekenis
- op het zitvlak rusten
- zetelen, plaats genomen hebben
- duratief hulpwerkwoord
- in de gevangenis een straf ondergaan
Hoe spreek je zitten uit?
/ˈzɪtən/
Zitten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ergens verblijven / ergens verstand van hebben figuratively
Vervoeging van zitten
zittenhele werkwoord — zatverleden tijd enkelvoud — zatenverleden tijd meervoud — gezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit | zat |
| jij | zit | zat |
| hij, zij, het | zit | zat |
| wij | zitten | zaten |
| jullie | zitten | zaten |
| zij | zitten | zaten |
Alle 28 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezeten | verleden tijd, deelwoord |
| gezeten te zullen heeft/is | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezeten zullen heeft/is | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| heeft gezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| te heeft/is gezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal zitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zat | verleden tijd |
| zit | gebiedende wijs |
| zitte | aanvoegende wijs |
| zittend | onvoltooid, deelwoord |
| zou zitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden zitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt zitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult zitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘gezeten zijn, zich bevinden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezeten | voltooid deelwoord | zitten |
| zitte | aanvoegende wijs | zitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zitten zijn vastgelegd.