Naar de inhoud

pitten

ontdoen van pitten (bij vruchten) of ogen (bij aardappelen)

pitten is meer dan één woord

pitten

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpɪtə(n)

Betekenis

  1. ontdoen van pitten (bij vruchten) of ogen (bij aardappelen)
  2. slapen
  3. in de grond stoppen, inkuilen
  4. wild dansen op harde muziek waarbij je opzettelijk om je heen slaat en hard tegen anderen aanbotst
  5. (autoracen) een racewagen tijdens de wedstrijd een werkplaats langs het circuit inrijden om brandstof te tanken of kleine aanpassingen of reparaties uit te laten voeren

Hoe spreek je pitten uit?

/ˈpɪtən/

Pitten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈpɪtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
ɪ pit
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een racewagen tijdens de wedstrijd een werkplaats langs het circuit inrijden om brandstof te tanken of kleine aanpassingen of reparaties uit te laten voeren unergative

Vervoeging van pitten

pittenhele werkwoord — pitteverleden tijd enkelvoud — gepitvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pit pitte
jij pit pitte
hij, zij, het pit pitte
wij pitten —
jullie pitten —
zij pitten —
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gepit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gepit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gepit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gepit impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gepit impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gepit impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gepit worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gepit zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gepit worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gepit zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gepit verleden tijd, deelwoord
gepit te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepit te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepit te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepit te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepit te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepit worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepit zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepit zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepit zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepit zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepit voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gepit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gepit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pit gebiedende wijs
pitte verleden tijd
pitte aanvoegende wijs
pittend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepit actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te pitten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen pitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gepit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gepit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepit voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gepit voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gepit voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gepit voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gepit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gepit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gepit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gepit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gepit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gepit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gepit enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gepit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gepit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gepit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gepit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gepit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gepit enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gepit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gepit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gepit zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepit zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal pitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal pitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal pitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gepit voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gepit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gepit voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gepit voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gepit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gepit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gepit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepit zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepit zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou pitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou pitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou pitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepit hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepit hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gepit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gepit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepit zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepit zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden pitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden pitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden pitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepit hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepit worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepit zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt pitten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepit hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepit hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gepit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gepit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepit zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepit zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepit zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen pitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen pitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen pitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen pitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepit hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepit worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepit zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult pitten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord pit

Herkomst

[1]: afgeleid van pit zn "kern van een vrucht" met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van pitten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepit voltooid deelwoord pitten
gepitte woordvorm pitten
pitte verleden tijd pitten
pittend onvoltooid deelwoord pitten
pittende woordvorm pitten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pitten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over pitten

Hoe spreek ik pitten uit?
Zo spreek je pitten uit: /ˈpɪtə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van pitten?
Pitten is een werkwoord. De betekenis is: ontdoen van pitten (bij vruchten) of ogen (bij aardappelen). In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik pitten?
Zo vervoeg je pitten zo: de tegenwoordige tijd is pit, de verleden tijd is pitte en het voltooid deelwoord is gepit. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op pitten?

In dit woordenboek rijmen 11 woorden op -itten op pitten, zoals bezitten, zitten en kitten. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op pitten, uitspraak ˈpɪtən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
bezitten 3
zitten 2
kitten 2
spitten 2
verhitten 3
splitten 2
flitten 2
avondritten 4
permitten 3
perzikenpitten 5
pruimenpitten 4

Scrabble punten

Naar spel

Het woord pitten is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. I 1
  3. T 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

pitten levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. I 2
  3. T 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

pitten telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

pitten in het kort

pitten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van pitten staan er 72 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort pitten bij een woordfamilie van 5 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

pitten: ontdoen van pitten (bij vruchten) of ogen (bij aardappelen)
Deel pitten — standaardnederlands.nl