spitten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈspɪtə(n)Betekenis
- met een spade grond keren
Hoe spreek je spitten uit?
/ˈspɪtən/
Spitten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van spitten
spittenhele werkwoord — spitteverleden tijd enkelvoud — gespitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spit | spitte |
| jij | spit | spitte |
| hij, zij, het | spit | spitte |
| wij | spitten | — |
| jullie | spitten | — |
| zij | spitten | — |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gespit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gespit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gespit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gespit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gespit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gespit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gespit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gespit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gespit | verleden tijd, deelwoord |
| gespit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spit | gebiedende wijs |
| spitte | verleden tijd |
| spitte | aanvoegende wijs |
| spittend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gespit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal spitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen spitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gespit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord spit
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van spitten
Vervoeging van spitten
spittenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘uitgraven’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van spitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespit | voltooid deelwoord | spitten |
| gespitte | woordvorm | spitten |
| spitte | verleden tijd | spitten |
| spittend | onvoltooid deelwoord | spitten |
| spittende | woordvorm | spitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spitten zijn vastgelegd.