rood-wit-blauw
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord ˈrotwɪdˌblɑuBetekenis
- gekleurd in een patroon van rode, witte en blauwe vlakken
- van Nederland of betrekking hebbend op Nederland
- patroon, vlag, tenue of ander voorwerp met zowel rode, witte als blauwe vlakken
- (wielrennen) shirt voor de wielerkampioen van Nederland
- Nederlandse trots of chauvinisme
Hoe spreek je rood-wit-blauw uit?
/ˈrotwɪdˌblɑu/
Rood-wit-blauw bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| o | boot |
| t | tak |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| d | dak |
| b | bak |
| l | land |
| ɑu | koud |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rood-wit-blauwe | verbogen, stellende trap |
| rood-wit-blauws | partitief, stellende trap |
Herkomst
samenstellende samenstelling van rood bn, wit bn en blauw bn De kleuren zijn hier gelijkwaardige elementen. Daarom wordt het woord volgen spellingregel 6.D geschreven met een koppelteken. Als het om vlaggen gaat is de volgorde waarin de kleuren worden genoemd van betekenis.
Woordfamilie van rood-wit-blauw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rood-wit-blauwe | verbogen vorm | rood-wit-blauw |
| rood-wit-blauws | partitive, positive | rood-wit-blauw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rood-wit-blauw zijn vastgelegd.