omwallen
werkwoordBetekenis
- met een wal omgeven of beschermen
Vervoeging van omwallen
omwallenhele werkwoord — omwaldeverleden tijd enkelvoud — omwaldenverleden tijd meervoud — omwaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | omwal | omwalde |
| jij | omwalt | omwalde |
| hij, zij, het | omwalt | omwalde |
| wij | omwallen | omwalden |
| jullie | omwallen | omwalden |
| zij | omwallen | omwalden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omwald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omwald | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omwald | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omwald | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omwald worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omwald zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omwald worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omwald zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omwald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omwald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omwald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omwald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omwald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omwald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omwald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omwald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| omwal | gebiedende wijs |
| omwald | verleden tijd, deelwoord |
| omwald te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omwald te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omwald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omwald te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omwald te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omwald worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omwald zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omwald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omwald zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omwald zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omwalde | verleden tijd |
| omwalle | aanvoegende wijs |
| omwallend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben omwald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te omwallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omwallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omwald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omwald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omwald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omwald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omwald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omwald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omwald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omwald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omwald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omwald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omwald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omwald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omwald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omwald | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omwald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omwald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omwald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omwald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omwald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omwald | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omwald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omwald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omwald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omwald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omwald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omwald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omwald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omwald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omwald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omwald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omwald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omwald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden omwald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omwald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omwald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omwald zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omwald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omwald zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt omwald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omwald zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen omwald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omwald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omwald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omwald zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omwald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omwald zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omwallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult omwald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omwald worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omwald zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omwallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van om bw en wallen ww
Woordfamilie van omwallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omwal | gebiedende wijs | omwallen |
| omwald | voltooid deelwoord | omwallen |
| omwalde | verleden tijd | omwallen |
| omwalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omwallen |
| omwalle | aanvoegende wijs | omwallen |
| omwallend | onvoltooid deelwoord | omwallen |
| omwallende | woordvorm | omwallen |
| omwalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omwallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omwallen zijn vastgelegd.