verbruiken
werkwoord vərˈbrœykə(n)Betekenis
- bij gebruik opmaken
Hoe spreek je verbruiken uit?
/vərˈbrœykən/
Verbruiken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| b | bak |
| œy | huis |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verbruiken
verbruikenhele werkwoord — verbruikteverleden tijd enkelvoud — verbruiktenverleden tijd meervoud — verbruiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verbruik | verbruikte |
| jij | verbruikt | verbruikte |
| hij, zij, het | verbruikt | verbruikte |
| wij | verbruiken | verbruikten |
| jullie | verbruiken | verbruikten |
| zij | verbruiken | verbruikten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verbruikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verbruikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verbruikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verbruikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verbruikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verbruikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verbruikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verbruikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verbruikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verbruikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verbruikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verbruikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbruikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verbruikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verbruiken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verbruiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbruik | gebiedende wijs |
| verbruike | aanvoegende wijs |
| verbruikend | onvoltooid, deelwoord |
| verbruikt | verleden tijd, deelwoord |
| verbruikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbruikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbruikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbruikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbruikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbruikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbruikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbruikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbruikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbruikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbruikte | verleden tijd |
| waart verbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbruikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbruikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verbruikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verbruikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verbruiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van bruik met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verbruiken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbruike | aanvoegende wijs | verbruiken |
| verbruikend | onvoltooid deelwoord | verbruiken |
| verbruikende | woordvorm | verbruiken |
| verbruikt | voltooid deelwoord | verbruiken |
| verbruikte | verleden tijd | verbruiken |
| verbruikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verbruiken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbruiken zijn vastgelegd.