gebruiken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ɣəˈbrœykə(n)Betekenis
- zich bedienen van, toepassen
- eten, nuttigen
- aan de drugs zijn
Hoe spreek je gebruiken uit?
/xəˈbrœykən/
Gebruiken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| b | bak |
| r | rood |
| œy | huis |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- consumeren, eten, nuttigen transitive
- aan de drugs zn zijn euphemistic, intransitive
Vervoeging van gebruiken
gebruikenhele werkwoord — gebruikteverleden tijd enkelvoud — gebruiktenverleden tijd meervoud — gebruiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gebruik | gebruikte |
| jij | gebruikt | gebruikte |
| hij, zij, het | gebruikt | gebruikte |
| wij | gebruiken | gebruikten |
| jullie | gebruiken | gebruikten |
| zij | gebruiken | gebruikten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gebruikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebruikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebruikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebruikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebruikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebruikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebruikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebruikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebruik | gebiedende wijs |
| gebruike | aanvoegende wijs |
| gebruikend | onvoltooid, deelwoord |
| gebruikt | verleden tijd, deelwoord |
| gebruikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebruikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebruikte | verleden tijd |
| had gebruikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebruikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebruikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebruikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebruikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gebruiken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebruikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gebruiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen gebruiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult gebruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gebruik
Herkomst
In de betekenis van ‘zich bedienen van’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van gebruiken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gebruike | aanvoegende wijs | gebruiken |
| gebruikend | onvoltooid deelwoord | gebruiken |
| gebruikende | woordvorm | gebruiken |
| gebruikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gebruiken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gebruiken zijn vastgelegd.