ontduiken
werkwoord /ɔnˈdœykə(n)/Betekenis
- door zich te bukken, aan iets ontkomen
- door onder iets te schuilen zich tegen zonnestralen vrij te waren
- aan gevaren of onaangenaamheden weten te ontkomen
- zich aan een verplichting weten te onttrekken
- (om een onderwerp) ontsnappen
Hoe spreek je ontduiken uit?
/ɔnˈdœykən/
Ontduiken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| œy | huis |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ontsnappen
Vervoeging van ontduiken
ontduikenhele werkwoord — ontdookverleden tijd enkelvoud — ontdokenverleden tijd meervoud — ontdokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontduik | ontdook |
| jij | ontduikt | ontdook |
| hij, zij, het | ontduikt | ontdook |
| wij | ontduiken | ontdoken |
| jullie | ontduiken | ontdoken |
| zij | ontduiken | ontdoken |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontdoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontdoken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontdoken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontdoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontdoken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontdoken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontdoken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontdoken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontdoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontdoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontdoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontdoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontdoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontdoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontdoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontdoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontdoken | verleden tijd, deelwoord |
| ontdoken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontdoken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontdoken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontdoken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontdoken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontdoken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontdoken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontdoken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontdoken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontdoken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontdook | verleden tijd |
| ontduik | gebiedende wijs |
| ontduike | aanvoegende wijs |
| ontduikend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontdoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontduiken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontduiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontdoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontdoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontdoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontdoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontdoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontdoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontdoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontdoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontdoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontdoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontdoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontdoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontdoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontdoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontdoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontdoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontdoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontdoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontdoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontdoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontdoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontdoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontdoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontdoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontdoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontdoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontdoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontdoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontdoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontdoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontdoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontdoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontdoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontdoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontduiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontdoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontdoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontdoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontduiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van het Nederlandse werkwoord duiken met het voorvoegsel ont-.
Woordfamilie van ontduiken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontdoken | voltooid deelwoord | ontduiken |
| ontdook | verleden tijd | ontduiken |
| ontduik | gebiedende wijs | ontduiken |
| ontduike | aanvoegende wijs | ontduiken |
| ontduikend | onvoltooid deelwoord | ontduiken |
| ontduikende | woordvorm | ontduiken |
| ontduikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontduiken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontduiken zijn vastgelegd.