Naar de inhoud

opgebruiken

alles gebruiken tot het op is

opgebruiken

werkwoord ˈɔpxəˌbrœykə(n)

Betekenis

  1. alles gebruiken tot het op is

Hoe spreek je opgebruiken uit?

/ˈɔpxəˌbrœykən/

Opgebruiken bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpxəˌbrœykən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
x acht
ə de
b bak
r rood
œy huis
k kat
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van opgebruiken

opgebruikenhele werkwoord — gebruikte opverleden tijd enkelvoud — gebruikten opverleden tijd meervoud — opgebruiktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik gebruik op gebruikte op
jij gebruikt op gebruikte op
hij, zij, het gebruikt op gebruikte op
wij gebruiken op gebruikten op
jullie gebruiken op gebruikten op
zij gebruiken op gebruikten op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgebruikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgebruikt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgebruikt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgebruikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgebruikt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgebruikt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgebruikt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgebruikt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebruik op gebiedende wijs
gebruikte op verleden tijd
had opgebruikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgebruikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgebruikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgebruikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgebruikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgebruikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgebruikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebruikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te gebruiken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen gebruiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal gebruiken bijzin, toekomende tijd
op zou gebruiken bijzin, voorwaardelijk
op zouden gebruiken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt gebruiken bijzin, voorwaardelijk
op zullen gebruiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen gebruiken bijzin, toekomende tijd
op zult gebruiken bijzin, toekomende tijd
opgebruik bijzin, tegenwoordige tijd
opgebruikend onvoltooid, deelwoord
opgebruikt verleden tijd, deelwoord
opgebruikt bijzin, tegenwoordige tijd
opgebruikt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebruikt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebruikt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebruikt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebruikt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebruikt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebruikt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebruikt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebruikt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebruikt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebruikte bijzin, verleden tijd
opgebruikten bijzin, verleden tijd
te hebben opgebruikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opgebruiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgebruikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebruikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgebruikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebruikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgebruikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgebruikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgebruikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgebruikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opgebruiken bijzin, toekomende tijd
zal opgebruikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebruikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgebruikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgebruikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebruikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgebruikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opgebruiken bijzin, voorwaardelijk
zou opgebruikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebruikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebruikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebruikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebruikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebruikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opgebruiken op zou(dt) gebruiken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opgebruiken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebruikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebruikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebruikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebruikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebruikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebruikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opgebruiken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebruikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebruikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opgebruiken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opgebruiken bijzin, toekomende tijd
zullen opgebruikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebruikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebruikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgebruikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebruikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebruikt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebruikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opgebruiken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en gebruiken ww , ook wel beschouwd als een contaminatie van gebruiken en opmaken

Woordfamilie van opgebruiken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gebruik op gebiedende wijs opgebruiken
gebruike op woordvorm opgebruiken
gebruiken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opgebruiken
gebruikt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opgebruiken
gebruikte op verleden tijd opgebruiken
gebruikten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opgebruiken
opgebruik subordinate-clause, tegenwoordige tijd opgebruiken
opgebruike with-subordinate-clause opgebruiken
opgebruikend onvoltooid deelwoord opgebruiken
opgebruikende woordvorm opgebruiken
opgebruikt voltooid deelwoord opgebruiken
opgebruikte subordinate-clause, verleden tijd opgebruiken
opgebruikten subordinate-clause, verleden tijd opgebruiken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opgebruiken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over opgebruiken

Hoe spreek ik opgebruiken uit?
Zo spreek je opgebruiken uit: /ˈɔpxəˌbrœykə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van opgebruiken?
Opgebruiken is een werkwoord. De betekenis is: alles gebruiken tot het op is.
Hoe vervoeg ik opgebruiken?
Zo vervoeg je opgebruiken zo: het voltooid deelwoord is opgebruikt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op opgebruiken?

In dit woordenboek rijmen 19 woorden op -uiken op opgebruiken, zoals ruiken, kuiken en misbruiken. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op opgebruiken, uitspraak ˈɔpxəˌbrœykən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
ruiken 2
kuiken 2
misbruiken 3
gebruiken 3
duiken 2
luiken 2
struiken 2
hergebruiken 4
ontduiken 3
verbruiken 3
aalbessenstruiken 5
beluiken 3
bruiken 2
buiken 2
eendenkuiken 4
kerkgebruiken 5
kruiken 2
vilbeluiken 4
wangebruiken 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opgebruiken is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. G 3
  4. E 1
  5. B 3
  6. R 2
  7. U 4
  8. I 1
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opgebruiken levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. G 3
  4. E 1
  5. B 4
  6. R 2
  7. U 2
  8. I 2
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 zonder bonus
  13. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opgebruiken in het kort

opgebruiken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opgebruiken staan er 87 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opgebruiken bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opgebruiken: alles gebruiken tot het op is
Deel opgebruiken — standaardnederlands.nl