teak
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord tikBetekenis
- een soort duur, tropische hardhout gemaakt van de teakboom () dat ook zonder onderhoud goed bestand is tegen weer en wind
Hoe spreek je teak uit?
/tik/
Teak bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| i | riet |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaalde tropische boomsoort, Tectona grandis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| teaken | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- kostbaar tropisch hardhout gemaakt van Tectona grandis dat ook zonder onderhoud goed bestand is tegen weer en wind
bijvoeglijk naamwoord
- gemaakt van hout van Tectona grandis; uit teakhout
Herkomst
van Engels teak, in de betekenis van ‘boom, hout daarvan’ voor het eerst aangetroffen in 1854
Woordfamilie van teak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teaken | enkelvoud | teak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van teak zijn vastgelegd.