storten
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- van enige hoogte ergens in laten vallen
- geld in een rekening inbrengen
- zich ~ op zich volledig aan een bepaalde bezigheid gaan wijden
- uit stort, dun plaatstaal vervaardigd
Vervoeging van storten
stortenhele werkwoord — stortteverleden tijd enkelvoud — storttenverleden tijd meervoud — gestortvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stort | stortte |
| jij | stort | stortte |
| hij, zij, het | stort | stortte |
| wij | storten | stortten |
| jullie | storten | stortten |
| zij | storten | stortten |
Alle 122 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gestort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gestort | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gestort | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gestort | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gestort worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gestort zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gestort worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gestort zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gestort | verleden tijd, deelwoord |
| gestort te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestort te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gestort te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestort te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestort te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gestort worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestort zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gestort zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestort zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gestort zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gestort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gestort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gestort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gestort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gestort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gestort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gestort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gestort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gestort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stort | gebiedende wijs |
| stort je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| stort me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| stort u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| stort u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| stort u/je , stort je | gebiedende wijs |
| stort zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| stort zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| stort zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| storte | aanvoegende wijs |
| storte zich | aanvoegende wijs |
| storten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| storten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| storten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| stortend | onvoltooid, deelwoord |
| stortte | verleden tijd |
| stortte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| stortte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| stortte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| stortte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| stortte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| stortte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| stortte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| stortten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| stortten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| stortten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| te hebben gestort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te storten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen storten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gestort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gestort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gestort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gestort | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gestort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gestort | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gestort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gestort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gestort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gestort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me storten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal storten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal storten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal storten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich storten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je storten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gestort hebben | verleden tijd |
| zich stortend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gestort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gestort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou storten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou storten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou storten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestort worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden storten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden storten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden storten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gestort hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt storten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gestort hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gestort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gestort hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestort worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gestort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je storten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons storten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen storten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen storten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen storten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen storten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich storten | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gestort hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult storten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u storten | tweede persoon |
| zult u storten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u storten | tweede persoon |
| zult zich/u storten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stort
Herkomst
In de betekenis van ‘met geweld (laten) vallen’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van storten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gestort | voltooid deelwoord | storten |
| gestorte | woordvorm | storten |
| storte | aanvoegende wijs | storten |
| stortend | onvoltooid deelwoord | storten |
| stortende | woordvorm | storten |
| stortte | verleden tijd | storten |
| stortten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | storten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van storten zijn vastgelegd.