Naar de inhoud

storten

van enige hoogte ergens in laten vallen

storten is meer dan één woord

storten

werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. van enige hoogte ergens in laten vallen
  2. geld in een rekening inbrengen
  3. zich ~ op zich volledig aan een bepaalde bezigheid gaan wijden
  4. uit stort, dun plaatstaal vervaardigd

Vervoeging van storten

stortenhele werkwoord — stortteverleden tijd enkelvoud — storttenverleden tijd meervoud — gestortvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stort stortte
jij stort stortte
hij, zij, het stort stortte
wij storten stortten
jullie storten stortten
zij storten stortten
Alle 122 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is gestort impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gestort impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gestort impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gestort impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gestort worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gestort zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gestort worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gestort zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gestort verleden tijd, deelwoord
gestort te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gestort te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gestort te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestort te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestort te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestort worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gestort zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gestort zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestort zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gestort zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gestort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gestort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gestort voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gestort voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gestort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gestort voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gestort voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gestort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gestort actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gestort voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gestort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gestort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gestort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gestort voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gestort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gestort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stort gebiedende wijs
stort je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
stort me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
stort u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
stort u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
stort u/je , stort je gebiedende wijs
stort zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
stort zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
stort zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
storte aanvoegende wijs
storte zich aanvoegende wijs
storten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
storten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
storten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
stortend onvoltooid, deelwoord
stortte verleden tijd
stortte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
stortte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
stortte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
stortte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
stortte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
stortte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
stortte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
stortten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
stortten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
stortten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
te hebben gestort actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te storten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen storten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren gestort voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gestort voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gestort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden gestort enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden gestort enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gestort enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal gestort hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gestort hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gestort worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gestort zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me storten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal storten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal storten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal storten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich storten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je storten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gestort hebben verleden tijd
zich stortend onvoltooid, deelwoord
zijn gestort voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou gestort hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestort hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gestort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gestort zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou storten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou storten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou storten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gestort hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gestort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gestort hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gestort worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gestort zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden storten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden storten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden storten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gestort hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt storten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gestort hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gestort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gestort hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gestort worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gestort zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen je storten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons storten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen storten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen storten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen storten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen storten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen zich storten derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult gestort hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult storten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult u storten tweede persoon
zult u storten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u storten tweede persoon
zult zich/u storten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord stort

Herkomst

In de betekenis van ‘met geweld (laten) vallen’ voor het eerst aangetroffen in 1236

Woordfamilie van storten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gestort voltooid deelwoord storten
gestorte woordvorm storten
storte aanvoegende wijs storten
stortend onvoltooid deelwoord storten
stortende woordvorm storten
stortte verleden tijd storten
stortten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon storten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van storten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over storten

Wat betekent storten?
Storten is een werkwoord. Het woord betekent: van enige hoogte ergens in laten vallen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je storten?
Je vervoegt storten als volgt: de tegenwoordige tijd is stort, de verleden tijd is stortte en het voltooid deelwoord is gestort. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord storten is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. T 2
  3. O 1
  4. R 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

storten levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 85 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. T 2
  3. O 1
  4. R 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 11 zonder bonus
  9. 85 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (S) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

storten telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

storten in het kort

storten is zowel werkwoord, bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord. Welke betekenis geldt, blijkt uit de zin waarin het staat. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van storten zijn 92 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort storten bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

storten: van enige hoogte ergens in laten vallen
Deel storten — standaardnederlands.nl