scholastiek
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /sxolɑˈstik/Betekenis
- christelijke wijsbegeerte uit de middeleeuwen
- geheel van samenhangende opvattingen waarvan de schijnbare logica berust op het aanvaarden van traditionele autoriteit
- beoefenaar van de christelijke wijsbegeerte uit de middeleeuwen
- (rooms-katholiek) jonge monnik die zich in de christelijke leer verdiept
- in, van of vergelijkbaar met de christelijke wijsbegeerte uit de middeleeuwen
- met een ingewikkelde logica een beroep op traditionele autoriteit verhullend
Hoe spreek je scholastiek uit?
/sxolɑˈstik/
Scholastiek bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| o | boot |
| l | land |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| i | riet |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- de middeleeuwse academische filosofie die van universiteiten uitgaat, in tegenstelling tot de monastieke filosofie van de Kerk.
zelfstandig naamwoord — masculine
- studerende jonge kloosterling
- jonge monnik die zich in de christelijke leer verdiept
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| scholastieken | enkelvoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schoolse wijsheid’ voor het eerst aangetroffen in 1631
Woordfamilie van scholastiek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scholastieke | woordvorm | scholastiek |
| scholastieken | enkelvoud | scholastiek |
| scholastieker | woordvorm | scholastiek |
| scholastiekere | woordvorm | scholastiek |
| scholastiekers | woordvorm | scholastiek |
| scholastieks | woordvorm | scholastiek |
| scholastiekst | woordvorm | scholastiek |
| scholastiekste | woordvorm | scholastiek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scholastiek zijn vastgelegd.