schijnen
werkwoord ˈsxɛinə(n)Betekenis
- zich voordoen, vaak op bedrieglijke wijze
- in constructie met te + onbepaalde wijs: naar verluidt
- straling uitzenden
Hoe spreek je schijnen uit?
/ˈsxɛinən/
Schijnen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van schijnen
schijnenhele werkwoord — scheenverleden tijd enkelvoud — schenenverleden tijd meervoud — geschenenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schijn | scheen |
| jij | schijnt | scheen |
| hij, zij, het | schijnt | scheen |
| wij | schijnen | schenen |
| jullie | schijnen | schenen |
| zij | schijnen | schenen |
Alle 27 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschenen | verleden tijd, deelwoord |
| geschenen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschenen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben geschenen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| scheen | verleden tijd |
| schijn | gebiedende wijs |
| schijne | aanvoegende wijs |
| schijnend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschenen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schijnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen schijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult schijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘stralen’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van schijnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschenen | voltooid deelwoord | schijnen |
| schijne | aanvoegende wijs | schijnen |
| schijnend | onvoltooid deelwoord | schijnen |
| schijnende | woordvorm | schijnen |
| schijnt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schijnen |
| schynt | woordvorm | schijnt |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schijnen zijn vastgelegd.