zwijnen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈzwɛinə(n)Betekenis
- onverdiend geluk hebben
- een onzedelijk leven leiden
- verdwijnen
- verminderen, afnemen
Hoe spreek je zwijnen uit?
/ˈzwɛinən/
Zwijnen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van zwijnen
zwijnenhele werkwoord — zwijndeverleden tijd enkelvoud — zwijndenverleden tijd meervoud — gezwijndvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwijn | zwijnde |
| jij | zwijnt | zwijnde |
| hij, zij, het | zwijnt | zwijnde |
| wij | zwijnen | zwijnden |
| jullie | zwijnen | zwijnden |
| zij | zwijnen | zwijnden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwijnd | verleden tijd, deelwoord |
| gezwijnd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwijnd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezwijnd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezwijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezwijnd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezwijnd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezwijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezwijnd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezwijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwijnd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezwijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezwijnd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwijnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zal gezwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gezwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwijn | gebiedende wijs |
| zwijnde | verleden tijd |
| zwijne | aanvoegende wijs |
| zwijnend | onvoltooid, deelwoord |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zwijn
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘boffen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1899
Woordfamilie van zwijnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwijnd | voltooid deelwoord | zwijnen |
| zwijnde | verleden tijd | zwijnen |
| zwijnden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwijnen |
| zwijne | aanvoegende wijs | zwijnen |
| zwijnend | onvoltooid deelwoord | zwijnen |
| zwijnende | woordvorm | zwijnen |
| zwijnt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwijnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwijnen zijn vastgelegd.