scheen
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| scheentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| scheentjes | verkleinwoord, meervoud |
| schenen | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van schijnen
Vervoeging van scheen
scheenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘voorzijde van onderbeen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1080
Woordfamilie van scheen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scheentje | verkleinwoord | scheen |
| scheentjes | verkleinwoord meervoud | scheen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheen zijn vastgelegd.