grijnen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɣrɛinə(n)Betekenis
- door een heftig gevoel een vertrokken gelaat tonen
Hoe spreek je grijnen uit?
/ˈxrɛinən/
Grijnen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van grijnen
grijnenhele werkwoord — grijndeverleden tijd enkelvoud — grijndenverleden tijd meervoud — (gegrenen) *voltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | grijn | grijnde |
| jij | grijnt | grijnde |
| hij, zij, het | grijnt | grijnde |
| wij | grijnen | grijnden |
| jullie | grijnen | grijnden |
| zij | grijnen | grijnden |
Alle 57 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (gegrenen) * | verleden tijd, deelwoord |
| (green) * | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegrijnd | verleden tijd, deelwoord |
| gegrijnd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegrijnd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| grijn | gebiedende wijs |
| grijnde | verleden tijd |
| grijne | aanvoegende wijs |
| grijnend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegrijnd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegrijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegrijnd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegrijnd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegrijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegrijnd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegrijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrijnd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te grijnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegrijnd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen grijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen grijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult grijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord grijn
Herkomst
ww: van Middelnederlands grinen, cognaat met grienen, grijnzen en Engels grin
Woordfamilie van grijnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegrijnd | voltooid deelwoord | grijnen |
| grijnde | verleden tijd | grijnen |
| grijnden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | grijnen |
| grijne | aanvoegende wijs | grijnen |
| grijnend | onvoltooid deelwoord | grijnen |
| grijnende | woordvorm | grijnen |
| grijnt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | grijnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grijnen zijn vastgelegd.