verschijnen
werkwoord /vər'sxɛɪnə(n)/Betekenis
- aan het licht treden, zichtbaar worden
- in druk of in andere vorm voor het eerst aangeboden worden
- voor het gerecht verschijnen
Hoe spreek je verschijnen uit?
/vərˈsxɛinən/
Verschijnen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| x | acht |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- voor het gerecht komen
Vervoeging van verschijnen
verschijnenhele werkwoord — verscheenverleden tijd enkelvoud — verschenenverleden tijd meervoud — verschenenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verschijn | verscheen |
| jij | verschijnt | verscheen |
| hij, zij, het | verschijnt | verscheen |
| wij | verschijnen | verschenen |
| jullie | verschijnen | verschenen |
| zij | verschijnen | verschenen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verschijnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verschenen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verschijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verscheen | verleden tijd |
| verschenen | verleden tijd, deelwoord |
| verschenen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschenen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschijn | gebiedende wijs |
| verschijne | aanvoegende wijs |
| verschijnend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verschenen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verschenen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verschenen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verschenen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verschenen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verschenen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verschenen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verschenen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschenen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verschenen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verschenen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verschenen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschenen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschenen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verschenen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verschenen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verschenen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verschenen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verschenen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verschenen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verschenen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verschijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verschenen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zich vertonen’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van verschijnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verscheen | verleden tijd | verschijnen |
| verschenen | voltooid deelwoord | verschijnen |
| verschijn | gebiedende wijs | verschijnen |
| verschijne | aanvoegende wijs | verschijnen |
| verschijnend | onvoltooid deelwoord | verschijnen |
| verschijnende | woordvorm | verschijnen |
| verschijnt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verschijnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verschijnen zijn vastgelegd.