| - |
impersonal, passief
|
| ben gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| bent gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| er is gepreekt |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
|
| er was gepreekt |
impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
|
| er werd gepreekt |
impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
|
| er wordt gepreekt |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
|
| er zal gepreekt worden |
impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
|
| er zal gepreekt zijn |
impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
|
| er zou gepreekt worden |
impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
|
| er zou gepreekt zijn |
impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| gepreekt |
verleden tijd, deelwoord
|
| gepreekt te worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gepreekt te zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gepreekt te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gepreekt te zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gepreekt te zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gepreekt worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gepreekt zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gepreekt zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gepreekt zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gepreekt zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had gepreekt |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had gepreekt |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had gepreekt |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden gepreekt |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden gepreekt |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden gepreekt |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt gepreekt |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| heb gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gepreekt |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| is gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| is gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| preek |
gebiedende wijs
|
| preekte |
verleden tijd
|
| preke |
aanvoegende wijs
|
| prekend |
onvoltooid, deelwoord
|
| te hebben gepreekt |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te preken |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen preken |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| waart gepreekt |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gepreekt |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| waren gepreekt |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gepreekt |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| was gepreekt |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| was gepreekt |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| was gepreekt |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werd gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| werd gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
|
| werd gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| werden gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
|
| werden gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
|
| werden gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werdt gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| word gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| worden gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
|
| worden gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
|
| worden gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| wordt gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
|
| wordt gepreekt |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zal gepreekt hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gepreekt hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal gepreekt hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zal gepreekt zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gepreekt zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal preken |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal preken |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal preken |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zijn gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| zijn gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zijn gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| zijt gepreekt |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zou gepreekt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gepreekt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gepreekt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zou gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gepreekt zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gepreekt zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gepreekt zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou preken |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou preken |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou preken |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden gepreekt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gepreekt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gepreekt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gepreekt zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gepreekt zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gepreekt zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden preken |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden preken |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden preken |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt gepreekt hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gepreekt zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt preken |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen gepreekt hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gepreekt hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gepreekt hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gepreekt zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gepreekt zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gepreekt zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen preken |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| zullen preken |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|
| zullen preken |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
|
| zullen preken |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zult gepreekt hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult gepreekt worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult gepreekt zijn |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zult preken |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|