Naar de inhoud

preken

een preek houden

preken is meer dan één woord

preken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. een preek houden

Vervoeging van preken

prekenhele werkwoord — preekteverleden tijd enkelvoud — preektenverleden tijd meervoud — gepreektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik preek preekte
jij preekt preekte
hij, zij, het preekt preekte
wij preken preekten
jullie preken preekten
zij preken preekten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gepreekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gepreekt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gepreekt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gepreekt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gepreekt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gepreekt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gepreekt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gepreekt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gepreekt verleden tijd, deelwoord
gepreekt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepreekt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gepreekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepreekt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepreekt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepreekt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepreekt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gepreekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepreekt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepreekt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepreekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepreekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepreekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepreekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepreekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepreekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepreekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepreekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
preek gebiedende wijs
preekte verleden tijd
preke aanvoegende wijs
prekend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepreekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te preken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen preken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gepreekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepreekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gepreekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gepreekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gepreekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gepreekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gepreekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gepreekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gepreekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gepreekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gepreekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gepreekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gepreekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gepreekt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gepreekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gepreekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gepreekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gepreekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gepreekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gepreekt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gepreekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepreekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepreekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gepreekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepreekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal preken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal preken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal preken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gepreekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gepreekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepreekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepreekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepreekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepreekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepreekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou preken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou preken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou preken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepreekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepreekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepreekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepreekt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepreekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepreekt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden preken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden preken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden preken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepreekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepreekt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt preken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepreekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepreekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepreekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepreekt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepreekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepreekt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen preken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen preken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen preken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen preken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepreekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepreekt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepreekt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult preken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord preek

Woordfamilie van preken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepreekt voltooid deelwoord preken
gepreekte woordvorm preken
preekt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon preken
preekte verleden tijd preken
preekten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon preken
preke aanvoegende wijs preken
prekend onvoltooid deelwoord preken
prekende woordvorm preken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van preken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over preken

Wat is de betekenis van preken?
Preken is een werkwoord. De betekenis is: een preek houden.
Hoe vervoeg ik preken?
Zo vervoeg je preken zo: de tegenwoordige tijd is preek, de verleden tijd is preekte en het voltooid deelwoord is gepreekt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord preken is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. E 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

preken levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. E 1
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

preken telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

preken in het kort

preken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van preken staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort preken bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

preken: een preek houden
Deel preken — standaardnederlands.nl