pita
zelfstandig naamwoord ˈpitaBetekenis
- pitabroodje
- pitabroodje; een plat broodje met een zachte korst
- pitta; een vogel in de onderorde schreeuwvogels
- sisal; vezels van de Agave
- pite
- chléb
- pták
- vlákno
Hoe spreek je pita uit?
/ˈpita/
Pita bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| i | riet |
| t | tak |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- plat broodje met een zachte korst, gebruikt als een basis voor mediterrane gerechten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pita's | meervoud |
| pitaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pitaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Grieks πίτα en Oudgrieks πίτα (píta), verwant aan pizza
Woordfamilie van pita
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pita's | meervoud | pita |
| pitaatje | verkleinwoord | pita |
| pitaatjes | verkleinwoord meervoud | pita |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pita zijn vastgelegd.