ontpitten
werkwoordBetekenis
- een vrucht van zijn pit of pitten ontdoen
Vervoeging van ontpitten
ontpittenhele werkwoord — ontpitteverleden tijd enkelvoud — ontpitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontpit | ontpitte |
| jij | ontpit | ontpitte |
| hij, zij, het | ontpit | ontpitte |
| wij | ontpitten | — |
| jullie | ontpitten | — |
| zij | ontpitten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontpit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontpit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontpit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontpit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontpit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontpit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontpit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontpit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontpit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontpit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontpit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontpit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontpit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontpit | gebiedende wijs |
| ontpit | verleden tijd, deelwoord |
| ontpit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontpit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontpit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontpit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontpit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontpit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontpit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontpit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontpit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontpit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontpitte | verleden tijd |
| ontpitte | aanvoegende wijs |
| ontpittend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontpit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontpitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontpitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontpit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontpit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontpit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontpit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontpitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van ontpitten
Vervoeging van ontpitten
ontpittenhele werkwoord — ontpitteverleden tijd enkelvoud — ontpitvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontpit | ontpitte |
| jij | ontpit | ontpitte |
| hij, zij, het | ontpit | ontpitte |
| wij | ontpitten | — |
| jullie | ontpitten | — |
| zij | ontpitten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontpit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontpit | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontpit | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontpit | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontpit worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontpit zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontpit worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontpit zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontpit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontpit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontpit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontpit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontpit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontpit | gebiedende wijs |
| ontpit | verleden tijd, deelwoord |
| ontpit te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontpit te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontpit te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontpit te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontpit te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontpit worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontpit zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontpit zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontpit zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontpit zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontpitte | verleden tijd |
| ontpitte | aanvoegende wijs |
| ontpittend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontpit | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontpitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontpitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontpit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontpit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontpit | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontpit | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontpit | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontpit | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontpit | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontpit | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontpit hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontpit zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontpitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontpit hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontpit worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontpit zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontpitten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van pit met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontpitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontpit | voltooid deelwoord | ontpitten |
| ontpitte | verleden tijd | ontpitten |
| ontpittend | onvoltooid deelwoord | ontpitten |
| ontpittende | woordvorm | ontpitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontpitten zijn vastgelegd.