pilaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een langgerekt verticaal bouwelement, gewoonlijk uit één stuk en met een willekeurig gevormde doorsnede
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pilaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pilaartjes | verkleinwoord, meervoud |
| pilaren | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘pijler’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van pilaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pilaartje | verkleinwoord | pilaar |
| pilaartjes | verkleinwoord meervoud | pilaar |
| pilaren | meervoud | pilaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pilaar zijn vastgelegd.