aanpappen
werkwoord ˈampɑpə(n)Betekenis
- in ~ met: (uit opportunisme, met een verborgen agenda) contact aanknopen met iemand
Hoe spreek je aanpappen uit?
/ˈampɑpən/
Aanpappen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| p | pak |
| ɑ | bad |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanpappen
aanpappenhele werkwoord — papte aanverleden tijd enkelvoud — papten aanverleden tijd meervoud — aangepaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pap aan | papte aan |
| jij | papt aan | papte aan |
| hij, zij, het | papt aan | papte aan |
| wij | pappen aan | papten aan |
| jullie | pappen aan | papten aan |
| zij | pappen aan | papten aan |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te pappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen pappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal pappen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou pappen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden pappen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt pappen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen pappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen pappen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult pappen | bijzin, toekomende tijd |
| aangepapt | verleden tijd, deelwoord |
| aangepapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangepapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanpap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanpappend | onvoltooid, deelwoord |
| aanpapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanpapte | bijzin, verleden tijd |
| aanpapten | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangepapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangepapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangepapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangepapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangepapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangepapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangepapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangepapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangepapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pap aan | gebiedende wijs |
| papte aan | verleden tijd |
| te hebben aangepapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanpappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanpappen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanpappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanpappen aan zou(dt) pappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanpappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangepapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanpappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanpappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanpappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangepapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanpappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanpappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanpappen aan zult/zal pappen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en pappen ww
Woordfamilie van aanpappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangepapt | voltooid deelwoord | aanpappen |
| aangepapte | woordvorm | aanpappen |
| aanpap | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanpappen |
| aanpappe | with-subordinate-clause | aanpappen |
| aanpappend | onvoltooid deelwoord | aanpappen |
| aanpappende | woordvorm | aanpappen |
| aanpapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanpappen |
| aanpapte | subordinate-clause, verleden tijd | aanpappen |
| aanpapten | subordinate-clause, verleden tijd | aanpappen |
| pap aan | gebiedende wijs | aanpappen |
| pappe aan | woordvorm | aanpappen |
| pappen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanpappen |
| papt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanpappen |
| papte aan | verleden tijd | aanpappen |
| papten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanpappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanpappen zijn vastgelegd.